Paris - Rue du Pré Saint-Gervais
De gereformeerde kerk, jrg XXIV, 1911-1912, no 1208, 30-11-1911
België. Te Jemeppe, midden in het kolengebied, is een geestelijke beweging gaande van weer geheel anderen aard. Ze concentreert zich in den persoon van een zekeren Antonius, bijgenaamd den Genezer, die een wonderdadige kracht heet uit te oefenen. Deze Antonius, thans 65 jaar oud, moet, blijkens een onpartijdig ingesteld onderzoek, een gansch ongeletterd man zijn. Vroeger mijnwerker, uit een arm gezin, heeft hij veel gezworven, tot in Polen toe. Allerlei ambachten heeft hij uitgeoefend. Op 36 jarigen leeftijd vestigde hij zich met zijn vrouw te Jemeppe. Zes jaar daarna verliet hij de Roomsche kerk en werd spiritist, om later een soort eigengemaakten godsdienst te stichten, onder den naam van „nieuw spiritualisme.” Sinds vijf jaren predikt hij dien. Daarbij laat hij zichzelf noemen „Antonius den Grootmoedige.” Van toen af voerde voerde hij een streng vegetarische leefwijze, waarbij hij zooveel mogelijk zich van de wereld afzondert.
Deze „nieuw spiritualisten” houden er ook een eenvoudig kerkgebouw op na. Hun geloofsbelijdenis, genoemd „openbaring van den stralenkrans van het geweten” is aan een der muren geschreven. Zij luidt: „Slechts één geneesmiddel kan de menschheid genezen: het geloof; uit het geloof wordt de liefde geboren, de liefde, die ons in onze vijanden Godzelf toont; zijn vijanden niet beminnen is God niet beminnen, want het is de liefde, die wij voor onze vijanden hebben, welke ons waardig maakt Hem te dienen; het is de eenige liefde, die ons waarachtig doet liefhebben, aangezien zij rein en waar is.”
In dezen tempel geneest Antonius de zieken, vroeger geschiedde dit één voor één, tegenwoordig gezamenlijk. Eerst verschijnt hij op ‘t gestoelte, dan bidt hij afzonderlijk en strekt vervolgens de handen over de kranken uit ter genezing.
Propaganda maakt het Antonisme niet. Het leert: Wij ontvangen de menschen gaarne, maar wij hebben het recht niet tot hen te gaan. Het orgaan der aanhangers is het maandblad L’ Unitif, mede gelezen door de voorstanders, die ook elders al een kerk vormen :] acht in België en onderscheiden in Frankrijk. Sommige trekken van het Antonisme doen, ook ondanks alle verschil, in de verte denken aan de leer van Tolstoï en aan de „christian science.” Vijandsliefde is het groote beginsel. Volgens Antonius is „God liefde. Hij kan het kwaad niet geschapen hebben. Indien het kwaad bestond, zou het een werk Gods zijn, aangezien Hij de Schepper van alles is; maar op het oogenblik, dat Hij het kwaad schept, houdt hij op God te zijn, omdat Hij ophoudt goed te zijn.” „Wanneer wij het kwaad niet meer zien zullen, zullen wij met God zijn, maar al zien wij het nog maar zoo weinig, dan zijn wij niet met Hem.” „Het beste gebed is de arbeid.” Uit zulke voorstellingen blijkt al genoeg dat men hier heeft te doen met een abnormaal onschriftuurlijk verschijnsel, dat onmiskenbaar gevaar meebrengt. Ook kenmerkt het zich door lichtschuwheid. Voor al wat naar wetenschap en boeken zweemt, is het Antonisme op zijn hoede. Men komt daarvoor openlijk uit. Moge dit onbijbelsch, den mensch verheerlijkend verschijnsel spoedig tot het verleden behooren! Het nog veelszins zoo donkere België heeft behoefte aan ander licht dan het dwaallicht in het Antonisme opgegaan.
De gereformeerde kerk, jrg XXIV, 1911-1912, no 1208, 30-11-1911
Traduction :
Belgique. A Jemeppe, au milieu du bassin minier, il y a un mouvement spirituel d'une nature complètement différente. Elle se concentre sur la personne d'un certain Antoine, surnommé le Guérisseur, qui exerce un pouvoir miraculeux. Cet Antoine, aujourd'hui âgé de 65 ans, doit, selon une enquête impartiale, être un homme complètement illettré. Ancien mineur, issu d'une famille pauvre, il a souvent déménagé, jusqu’en Pologne. Il a pratiqué toutes sortes d'artisanat. A 36 ans, il s'installe avec sa femme à Jemeppe. Six ans plus tard, il quitta l'église romaine et devint spirite, pour fonder plus tard une sorte de religion autodidacte, sous le nom de "nouveau spiritisme". Depuis cinq ans, il prêche. Il se laisse depuis appeler "Antoine le Généreux". Dès lors, il mène une vie strictement végétarienne, s'isolant le plus possible du monde.
Ces "nouveaux spiritualistes" possèdent également une simple église. Leur credo, appelé "révélation de l'auréole de la conscience" est écrit sur l'un des murs. On peut y lire : "Un seul remède peut guérir l’humanité : la foi ; C'est de la foi naît l’amour, l'amour qui nous montre dans nos ennemis Dieu Lui-même ; ne pas aimer ses ennemis, ce n'est pas aimer Dieu, car c'est l'amour que nous avons pour nos ennemis qui nous rend dignes de Le servir ; c'est le seul amour qui nous fait vraiment aimer, parce qu'il est pur et de vérité."
Dans ce temple, Antoine guérit les malades, auparavant cela avait lieu l’un après l’autre, de nos jours ensemble. Il apparaît d'abord sur la tribune, puis il prie séparément et étend ensuite ses mains sur les malades pour la guérison.
L'Antoinisme ne fait pas de propagande. Il enseigne : "Nous aimons recevoir les hommes, mais nous n'avons pas le droit d'aller vers eux. L'organe des sympathisants est le mensuel L'Unitif, lu ensemble par les sympathisants, qui forment également une église ailleurs :] huit en Belgique et plusieurs en France. Certains traits de l'Antoinisme, malgré toutes les différences, rappellent de loin en loin la doctrine de Tolstoï et de la "science chrétienne". L'amour de l'ennemi est le grand principe. Selon Antoine, "Dieu est amour. Il ne peut pas avoir créé le mal. Si le mal existait, ce serait une œuvre de Dieu, puisqu'Il est le Créateur de toutes choses ; mais au moment où Il crée le mal, Il cesse d'être Dieu, car Il cesse d'être bon." "Quand nous ne verrons plus le mal, nous serons avec Dieu, mais si nous le voyons si peu, nous ne sommes pas avec Lui." "La meilleure prière est le travail." Il ressort clairement de cette présentation qu'il s'agit d'un phénomène anormalement contraire aux Écritures, qui est indéniablement dangereux. Elle se caractérise aussi par une légère timidité. L'Antoinisme se méfie de tout ce qui est la science et les livres. Ils admettent ouvertement que c'est le cas. Que ce phénomène glorifiant, non biblique et viril, appartienne bientôt au passé ! La Belgique, qui est encore plus sombre, a besoin d'une lumière différente de celle de l'erreur qui s'est abattue sur l'Antoinisme.
De gereformeerde kerk, jrg XXIV, 1911-1912, no 1208, 30-11-1911
De gereformeerde kerk, jrg XXIV, 1911-1912, no 1244, 08-08-1912
België. Antoine de Genezer overleden. Over dezen veelbesproken persoon is in dit blad eenige maanden geleden een en ander meegedeeld. Père Antoine le Guérisseur, zooals hij in de wandeling heette is nu onlangs, naar gemeld wordt, te Jemeppe overleden, en heeft zijn vrouw aangewezen als zijn opvolgster. Geboren in 1846, uit arme ouders, als jongste van elf kinderen, ging hij, twaalf jaren oud, met zijn vader en een broer in de mijnen werken; werd daarna groentenhandelaar, werkte in Duitschland, werd bediende in een Belgische fabriek te Warschau, daarna in België assurantie-agent; concierge in een ijzerfabriek; kassier; deed daarna pogingen in Rusland en later te Jemeppe om de maatschappij te hervormen door goedheid; beoefende ook het spiritisme, waarin hij echter geen bevrediging vond; legde zich toe op zoogen, geloofsgenezing, kreeg naam door wonderbare genezingen en verwierf zich een aanhang, die een godsdienstige secte vormde, thans reeds bestaande uit duizenden — verspreid over tal van plaatsen, terwijl naar men zegt zelfs uit andere werelddeelen kranken kwamen om bij Perè Antoine genezing te zoeken.
Te Jemeppe bevindt zich een soort van kapel, gewijd aan den „Antoinistiselien eeredienst”, een net gebouw met galerijen, spreektribune en zitbanken voor ongeveer 500 menschen. Boven het spreekgestoelte zijn spreuken aangebracht; men leest er: „Eén enkel geneesmiddel kan de menschheid genezen Het Geloof. Uit het geloof wordt de liefde geboren: de liefde, die ons in onze vijanden God zelf doet zien. Zijn vijanden niet liefhebben, is God niet liefhebben; want de liefde, die we voor onze vijanden hebben, maakt ons waardig Hem te dienen; dat is de eenige liefde, die ons waarlijk doet liefhebben, omdat zij rein en waar is”.
Zijn aanhangers weten te verhalen hoe door Père Antoine blinden ziende werden, lammen huppelden enz. Dit alles wordt toegeschreven aan het geloof in den Vader, met wien niet God, maar Père Antoine bedoeld wordt.
Wat hun Christusbelijdenis aangaat — de Heere Jezus is voor hen „iemand als Père Antoine”. Op de vraag wat hun na het sterven wacht, antwoorden zij: „Wie goed doet, zal goed vinden.”
Deze Antoinisten dragen lange, toegeknoopte jassen; ook de vrouwen zijn gekenmerkt door bijzondere, vrij stemmige kleederdracht. In hun blik is iets vreemds. Ze hebben een eigen drukkerij, waar hun boeken en bladen gedrukt worden.
Een leeraar van het Athenaeum (gymnasium) te Luik stond Père Antoine bij in zijn werk. Een ooggetuige verhaalt, dat bij den dienst in de kapel vele zieken en lijdenden vooraan zaten; verscheidenen, die binnenkwamen, dronken water, dat uit kraantjes te verkrijgen was; boven die kraantjes staat-te lezen: „Deze fontein heeft geen andere bestemming dan den dorst te lesschen van hen, die in dezen tempel komen. Er een ander gebruik van maken is een gebrek aan geloof, dat eer een beletsel tot genezing zou zijn. Alleen uw geloof in den Vader (Antoine) zal u genezen. Het Bestuur.”
Nadat de dienst door de verschijning van zijn vrouw was geopend, trad door een zijdeur op het platform Père Antoine op automatische wijze zelf binnen, volmaakte type van een kluizenaar. Hij bleef staan, recht boven zijn biddende vrouw, in stilzwijgende houding, draaide toen de hand naar rechts, en verdween weer statig door de deur, straks gevolgd door zijn vrouw. Dat was de gansche, weinig indrukmakende dienst. Alleen ‘s Zondags wordt er voorgelezen uit het zonderlinge boek, door Père Antoine samengesteld.
Onlangs nu is deze laatste tengevolge van een beroerte gestorven. Van heinde er ver, ook van over de grenzen stroomde een menigte, geschat op 25000 menschen, saam om ‘s mans begrafenis bij te wonen. Boven de lijkkist, zonder eenig sieraad, was aangebracht een vernikkelde plaat in schildvorm; een boom was erop afgebeeld met dit onderschrift: „De boom van de Wetenschap, van het Gezicht, van het Goede en het Kwade.” De geweldige stoet trok er langs. Op het kerkhof werden alleen toegelaten de Antoinistische aanhangers, die de bekende eigenaarde kleeding droegen. Een der volgelingen las wat voor van de beginselen der vereeniging; daarna werd de kist neergelaten in de groeve zonder eenige ceremonie.
Nog maar kort geleden hebben zijn volgelingen, ten getale van meer dan honderdduizend een verzoekschrift gericht aan den Koning en de Kamer ; maar vergeefs. Onder de volgelingen telt men ook leeraars aan gymnasiums en Roomsche geestelijken. Zelfs in het wufte Parijs en in de Protestantsche landen kan men een Antoinistischen tempel vinden.
In den tempel van Jemeppe was de volgende verklaring aangeplakt: „Het Bestuur van den Antoinistischen eeredienst brengt ter uwer kennis dat de Vader zich ontlichaamd heeft (gedesincarneerd), Dinsdagmorgen 25 Juni. Alvorens zijn lichaam te verlaten heeft hij voor een laatste maal Zijn volgelingen willen zien, om hun te zeggen, dat Moeder Hem zal vervangen in Zijn zending, dat Zij altijd Zijn voorbeeld zal volgen. Er is dus niets veranderd. Vader Antoine zal altoos met ons zijn. Moeder zal het spreekgestoelte beklimmen voor de algemeene operaties de vier eerste dagen der week, om 10 uur.”
Dat de Antoinisten zoovele volgelingen tellen uit den gegoeden stand, doet denken aan een crisis in de Roomsche kerk. Te betreuren is dat die in zulke banen geleid wordt; van een Godsopenbaring volgens de Schrift toch is hier geen sprake ; met de diepste nooden der ziel wordt . niet gerekend en voor den Christus is er geen plaats.
‘s Gr. d. B.
De gereformeerde kerk, jrg XXIV, 1911-1912, no 1244, 08-08-1912
Traduction :
Belgique. Antoine le Guérisseur est décédé. Quelques informations ont été rapportées, il y a quelques mois de là, à propos de cette personne très discutée. Le père Antoine le Guérisseur, comme on l'appelait communément, serait récemment décédé à Jemeppe et aurait nommé son épouse comme son successeur. Né en 1846, de parents pauvres, le plus jeune de onze enfants, il alla, âgé de douze ans, travailler avec son père et son frère dans les mines ; il est ensuite devenu marchand de légumes, a travaillé en Allemagne, est devenu commis dans une usine belge à Varsovie, puis en Belgique en tant qu’agent d’assurance, concierge dans une forge ; caissier ; ensuite, en Russie et plus tard à Jemeppe, des tentatives de réforme de la société par le bien; il pratiquait aussi le spiritualisme, dans lequel il ne trouvait aucune satisfaction. Il se consacra aux soins et à la guérison par la foi, se fit un nom grâce à des guérisons miraculeuses et acquit un entourage qui formait une secte religieuse de plusieurs milliers de personnes – réparties dans de nombreux endroits, alors qu'il est dit que même des personnes malades venaient de très loin cherche un remède auprès du Père Antoine.
A Jemeppe, il existe une sorte de chapelle, dédiée au "Culte Antoiniste", un bâtiment avec des galeries, une tribune et des bancs pour environ 500 personnes. Des sentences ont été placés au-dessus de la tribune de prêche, on lit : "Un médicament peut guérir l’humanité : La Foi. La foi est née de l'amour : l'amour qui nous fait voir Dieu lui-même chez nos ennemis. Ne pas aimer ses ennemis, ce n'est pas aimer Dieu ; car l'amour que nous avons pour nos ennemis nous rend dignes de le servir ; c'est le seul amour qui nous fait vraiment aimer, parce qu'il est pur et vrai."
Ses disciples sont capables de raconter comment le père Antoine a rendu la vue à l'aveugle, la marche au boiteux, etc. Tout cela est attribué à la foi au Père, il faut comprendre pas en Dieu, mais au père Antoine.
Quant à leur confession au Christ – le Seigneur Jésus est pour eux "quelqu'un comme le Père Antoine". Quand on leur demande ce qui les attend après la mort, ils répondent : "Celui qui fait le bien trouvera le bien."
Ces Antoinistes portent de longs manteaux boutonnés ; les femmes se caractérisent aussi par des vêtements spéciaux, plutôt disparates. Dans leur regard, il y a quelque chose d'étrange. Ils ont leur propre imprimerie, où sont imprimés leurs livres et leurs magazines.
Un professeur de l'Athénée (lycée) de Liège a assisté le père Antoine dans son travail. Un témoin oculaire raconte que de nombreux malades et souffrants étaient assis devant le service dans la chapelle ; plusieurs qui venaient buvaient de l'eau pouvant être obtenue à partir de bandes magnétiques ; au-dessus des robinets se lit comme suit : " Cette fontaine n'a d'autre but que de désaltérer ceux qui viennent dans ce temple. En faire un autre usage est un manque de foi qui porterait plutôt obstacle à la guérison. Seule votre foi en le Père (Antoine) vous guérira. Le Conseil."
Après l’ouverture du service par l’apparition de sa femme, le père Antoine arriva de manière automatique par une porte latérale sur la plate-forme, un parfait type d’ermite. Il s'arrêta, juste au-dessus de sa femme en prière, gardant le silence, puis tourna la main vers la droite et disparut à nouveau par la porte, bientôt suivi de sa femme. C'était tout le service peu impressionnant. Le dimanche, on lit seulement des extraits de l'étrange livre composé par le père Antoine.
Récemment, ce dernier est décédé des suites d'un accident vasculaire cérébral. De loin, même de l’autre côté des frontières, une foule estimée à 25 000 personnes s’est réunie pour assister aux funérailles de l’homme. Au-dessus du cercueil, sans aucun ornement, se trouvait une plaque nickelée en forme de bouclier ; un arbre était représenté avec cette légende : "L'arbre de la science, de la vue, du bien et du mal." La grande procession passa. Au cimetière, seuls les partisans antoinistes, qui portaient les vêtements bien connus, ont été admis. L'un des adeptes lit certains des principes à l'assistance ; puis le cercueil a été descendu dans la tombe sans aucune cérémonie.
Il y a encore peu de temps, ses disciples, au nombre de plus de cent mille, adressèrent une pétition au Roi et à la Chambre ; mais en vain. Parmi les adeptes, il y a aussi des professeurs de lycée et du clergé romain. Même dans la frivole Paris et dans les pays protestants, on peut trouver un temple antoiniste.
La déclaration suivante avait été affichée dans le temple de Jemeppe : "Le Conseil du Culte Antoiniste vous fait savoir que le Père est décédé (désincarné), mardi matin 25 juin. Avant de quitter son corps, il a voulu voir ses disciples pour la dernière fois, leur dire que Mère le remplacera dans sa mission, qu'elle suivra toujours son exemple. Rien n'est donc changé. Le père Antoine sera toujours parmi nous. La mère montera à la tribune pour les opérations générales les quatre premiers jours de la semaine, à 10 heures."
Le fait que les antoinistes comptent autant de disciples de la classe aisée fait penser à une crise dans l’Église romaine. Il est regrettable qu'il soit conduite dans de tels chemins ; il n'est pas question ici de la révélation de Dieu selon les Écritures ; il n'est pas question des besoins les plus profonds de l'âme ; sans compter qu'il n'y a pas de place pour le Christ.
‘s Gr. d. B.
De gereformeerde kerk, jrg XXIV, 1911-1912, no 1244, 08-08-1912
België - Sekten (Nieuwe Rotterdamsche Courant 08-08-1925)
België.
Sekten.
(Particuliere correspondentie)
Brussel, 6 Augustus.
Dezer dagen hebben in het hart van het land, – meer bepaald: te Schaerbeek, Brusselsche voorsted en naar uitgebreidheid en bevolking de vijfde gemeente van België, – de zoogenaamde Antoinisten hun hoofdtempel ingehuldigd. Heeren, waarvang de meesten Waalsche mijnwerkers zijn, doch waaronder men ook geesteliik-ontwikkelden kan tellen, en die niet alles Belgen zijn, want de leer heeft ook in het buitenland aanhangers. – heeren in de lange jas met opstaandep kraag der Angel-Saksische clergymen en den hoogen hoed met platte randen van den Zuid-Franschen wijnkoopman van vóór een kwarteeuw, vergezelden dames die er uitzagen als nogal kokette kloosterzusters. ik bedoel nonnen die niet al te strikt het opgejegde habijt eerbiedigen, maar dochtans schuw lijken voor te losse wereldschheid. Zij samen kwamen, in België's hoofdstad, of even daarbuiten, gewapend met een valies en eerbiedwekkende vroomheid, hun geloof bevestigen in den levensregel, die hun door wijlen Antoine-den-Genezer was opgelegd. Enkele jaren geleden hebben zij den Belgischen staat om erkenning gevraagd van wat zij hun godsdienst noemen. Gij weet dat die staat drie officieele godsdiensten heeft aangenomen, het wil zeggen, dat hij de bedienaars ervan bezoldigt: het zijn de katholieke, de protestantsche en de Israëlietische. De Antoinisten houden het ervoor, dat zij evenveel recht hebben op het geld van den Belgischen staatsburger. Ik weet niet goed of de toenmalige Belgische regeering op hunne wenschen en bevestigingen is ingegaan. Maar ik weet dat de Antoinisten dezer dagen te Schaerbeek een tempel hebben ingewijd, dien ze vermoedelijk met eigen centen helben opgetrokken. Het geen bewijst dat zij eene macht uitmaken, misschien meer geestelijk nog dan geldelijk, want de meeste adepten zijn geen rijke lieden, en het is hun getal meer dan hunne persoonlijke pecuniaire draagkracht die het feit mogelijk heeft gemaakt. Hun getal te Brussel was dan ook niet gering: zij waren een tamelijk-vreemde versiering van het ledig-geloopen vacantie-Brussel.
Ik kan u in gemoede verzekeren dat ik, met al mijn eerbied voor welke geestelijke overtuiging ook, geen Antoinist ben. Verwacht dan ook van mij geene inwijding in de gezindte dezer sekte. Ik weet dan ook, en dan nog slechte ongeveer, dat zij werd gesticht door een zeer eenvoudig man, die beweerde de macht te bezitten, de kranken te genezen bij eenvoudige oplegging der handen en zelfs alleen bij kracht van het gebed. Deze „Antoine de Guérisseur”, zoals men hem in Wallonië noemde, moet in aller daad wenderen hebben verricht, het is te zeggen dat hij eene wonderwekkende overtuigingskracht bezat, die natuurlijk uitging van een heilig geloof in zichzelf. Zijne actie was veelvuldig en verwekke buitengewone belangstelling, die in mystieke geesdrift ontaardde. De geestdrift leidde tot dogma, waar deze Antoine zich toe leende. Zijn thaumaturgie werd een godsdienst, eene liturgie, misschien minder door hemzelf dan door zijne volgelingen vastgelegd. En toen bij, een vijftiental jaar geleden, stierf, liet hij eene kerk na, met vaste leerstelsels, een stevigen levensregel, en eene oude echtgenoote die na hem als opperpriesteres ging fungeeren. Deze kerk heeft hare tempels, ook in het buitenland, naar het heet. De laatste daarvan is komen te staan in Schaerbeek, eene voorstad die voorloopig alleen om hare krieken bekend stond, en om de koppigheid van hare inwoners die men daarom, cum reverentia, ezels pleegt te noemen.
Feitelijk is het Antoinisme minder een godsdienstig dan een psychologisch verschijnsel. Gij weet dat de bevolking van België in hare meerderheid onwrikbaar-Roomsch is, zij het dan misschien ook minder in de praktijk dan uit overlevering. Het socialisme heeft echter, serdert de jaren tachtig reeds, aan die voorvaderlijkheid duchtig geknaagd, vooral onder de werklieden van het industrieele Walenland. Nochtans blijkt het wel, dat de behoefte aan een godsdienstig leven er warm is gebleven, warmer zelfs dan in het traditioneel-godvruchtig Vlaanderen van landhouwers. Herinnert u hoe Vincent van Gogh inzag, dat evangelisatie in de kolenstreek van het Borinage vruchtdragend kon worden. Zoo de menschen er de katholieke kerk verlaten, dan is het meermaals om aan spiritisme en occultisme te gaan doen. Geen wonder dan ook dat een Antoine le Guérisseur er gemakkelijk adepten vond, en in grooten getale. Waaruit zou kunnen blijken dat de Walen naar den aard nog meer godsdienstig zijn aangelegel dan de Vlamingen, den welken men in deze zoo dikwijls hunne stompzinnigheid heeft verweten, omdat zij, met heel wat vrijheid trouwens, en zelfs met zeldzame bandeloosheid, der moederkerk getrouw bleven.
Die getrouwheid is overigens betrekkelijk, en eene mededeeling op het historisch en archeologisch Congres, dat op dit oogenblik te Brugge plaats heeft, komt het doorslaand bevestigen. Niet alleen hebben wij in Vlaanderen, niet ver van Oudenaerde, te Maria-Hoorebeke namelijk, een dorp dat in zijn geheel, of nagenoeg, Evangelisch-protestantsch is en blijft (een misschien-eenig verschijnsel in België), maar in de Roomsch-katholieke kerk-zelve zou eene sekte bestaan die, zonder eigenlijk heterodoxe te zijn, nochtans, afgescheiden leeft: de sekte namelijk die zich noemt deze der Stevenisten.
De leerstelling is eigenlijk uit Frankrijk orer ons heen gekomen. En hij is tevens eene zoo goed als onbegrijpelijk anachronisme.
Toen, in 1806, tusschen de paus Pius den Zevende en den eersten Consul Bonaparte het Concordaat gesloten werd, weigerden een aantal Fransche priesters aan de inschikkelijkheid van den Heiligen Vader toe te geven. Acht en dertig bisschoppen, die trouwens de wijk naar Engeland hadden genomen, kwamen tegen de nieuwe regeling op. Men noemde ze de „Anticoncordataires”. Hunne houding werd door sommigen in België gevolgd, dat anders over het algemeen vrij onverschillig bleef. Zekere Cornelius Stevens, waarschijnlijk in hoofdzaak gedreven door zijn haat tegen Napoleon en dezes godsdienstige politiek, wilde van het Concordaat niet hooren. Deze priester wist een groot aantal aanhangers to winnen, vooral in het Zuiden van Brabant. Zijne stelling werd tot in het aartsbisdom Mechelen aangenomen; zij verbreidde zich gemakkelijk in West-Brabant nit. Pastoors als Janssens, die te Pepinghem stond, en Winnepenninck, te Leerbeek, waren zijne vurige aanhangers. En aldus werd eene echte sekte gevormd.
De laatste Stevinistische priester stierf in 1842. Maar met hem stierf de sekte geenszins uit. Bij gebrek aan bedienaars verzaakten de aanhangers alle sakramenten. Zij kozen zich voortaan wereldlijke pastoors, en onder die pastoors zijn er zelfs vrouwen geweest.
Het Stevinisme is niet uitgestorven. Talrijke, meestal welgestelde landbouwers uit Zuid-Brabant meet bepaald uit de omstreken van Halle, beroemde bedevaartplaats, blijven, in hunne stevinistische orthodoxie, van de andere geloovigen afgezonderd. Zij trouwen onder elkander, en staan elkander bij. Zij zijn eene kleine kerk in de groote, maar eene zeer geslotene, en die zich meestal afzijdig houdt. Zij heeft trouwens to Lerbeek haar afzonderlijken tempel.
Ook in West-Vlaanderen vindt men Stevenisten. In 1819 werd Napoleon in den ban der kerk gezet: sommige West-Vlaamsche priesters vonden er het voorwendsel in, om te weigeren na de mis zijn naam in het openbaar gebed te noemen. Het bracht van lieverlede meê, dat tusschen de malcontenten van Brabant en West-Vlaanderen toenadering kwam, al gingen zij van een verschillend standpunt uit.
En het bracht meê, dat er huwelijken werden gesloten ook tusschen Brabantsche en West-Vlaamsche Stevenisten.
Wat wellicht van heel de geschiedenis de zuiverste uitslag is.
Nieuwe Rotterdamsche Courant, 08 Augustus 1925
Traduction :
Belgique.
Sectes.
(Correspondance privée)
Bruxelles, le 6 août.
Aujourd'hui, au cœur du pays, – plus précisément : à Schaerbeek, dans la banlieue bruxelloise et devant l'immensité et la population de la cinquième commune de Belgique, – les dits Antoinistes ont inauguré leur temple principal. – Des messieurs, dont la plupart sont des mineurs wallons, mais sous lequel on peut aussi compter des mineurs qui se sont développés spirituellement, et qui ne sont pas tous Belges, car la doctrine a aussi des disciples à l'extérieur, – des messieurs en long manteau avec le col des ecclésiastiques anglo-saxon debout sur leur col et le haut chapeau à bords plats du marchand de vin du sud de la France d'avant un quart de siècle, accompagnaient des dames qui ressemblaient à des sœurs monastiques plutôt coquettes, des religieuses qui ne respectent pas strictement l'habit précipité, mais semblent néanmoins trop timides dans leur mondanité. Ils se sont réunis, dans la capitale de la Belgique, ou juste à l'extérieur, armés d'une valise et d'une piété respectueuse, pour confirmer leur foi dans la règle de vie qui leur a été imposée par feu Antoine-le-Guérisseur. Il y a quelques années, ils ont demandé à l'État belge la reconnaissance de ce qu'ils appellent leur religion. Vous savez que cet État a adopté trois religions officielles, c'est-à-dire qu'il rémunère ses ministres : ils sont catholiques, protestants et israéliens. Les Antoinistes sont en faveur d'avoir le même droit à l'argent du citoyen belge. Je ne suis pas sûr que le gouvernement belge de l'époque ait répondu à leurs souhaits et confirmations. Mais je sais que les Antoinistes ont consacré un temple à Schaerbeek ces jours-ci, ce qu'ils ont probablement à faire avec leur propre argent. Cela ne prouve pas qu'ils sont un pouvoir, peut-être plus spirituellement que financièrement, parce que la plupart des adeptes ne sont pas des gens riches et que leur nombre est supérieur à leur capacité pécuniaire personnelle qui a rendu ce fait possible. Leur nombre à Bruxelles n'était donc pas négligeable : il s'agissait d'une décoration assez étrange de la vacance Bruxelles.
Je peux vous assurer en toute conscience qu'avec tout mon respect pour toute conviction spirituelle, je ne suis pas un antoiniste. Par conséquent, ne vous attendez pas à ce que je sois un initiateur de cette secte. Je sais donc, et même alors mal, qu'elle a été fondée par un homme très simple, qui prétendait avoir le pouvoir de guérir les malades par simple imposition des mains et même seulement par le pouvoir de la prière. Cet "Antoine le Guérisseur", comme on l'appelait en Wallonie, en tout cas, a dû rendre quelques miracles, c'est-à-dire qu'il avait un pouvoir de persuasion miraculeux, qui était bien sûr basé sur une sainte croyance en lui-même. Son action était fréquente et il suscita un intérêt extraordinaire, qui dégénéra en zèle mystique. L'enthousiasme a conduit au dogme auquel cet Antoine s'est prêté. Sa thaumaturgie est devenue une religion, une liturgie, peut-être moins établie par lui-même que par ses adeptes. Et puis, il y a une quinzaine d'années, il est mort, laissant derrière lui une église, avec des doctrines fixes, une règle de vie solide, et une vieille femme qui, après lui, est devenue la grande prêtresse. Cette église a ses temples, même à l'étranger, pour la plupart. Le dernier d'entre eux s'est installé à Schaerbeek, une banlieue autrefois connue uniquement pour ses cerises, et pour l'entêtement de ses habitants, que l'on appelle donc, cum reverentia, habituellement des ânes.
En fait, l'antoinisme est moins un phénomène religieux que psychologique. Vous savez que la majorité de la population belge est inébranlablement catholique romain, mais peut-être moins en pratique que par tradition. Cependant, le socialisme a, dès les années 1880, grignoté cette ascendance ancestrale, en particulier chez les ouvriers de la Wallonie industrielle. Cependant, il semble que le besoin d'une vie religieuse soit resté fort, encore plus fort que dans la Flandre traditionnellement pieuse des propriétaires terriens. Rappelez-vous comment Vincent van Gogh a réalisé que l'évangélisation pouvait devenir fructueuse dans la région charbonnière du Borinage. Dès que les gens quittent l'Église catholique, c'est plus d'une fois pour s'engager dans le spiritisme et l'occultisme. Il n'est donc pas étonnant qu'un Antoine le Guérisseur y ait facilement trouvé des adeptes, et en grand nombre. D'où pourrait apparaître que les Wallons par nature sont encore plus religieux que les Flamands, pensant qu'en cela leur stupidité a si souvent été blâmée, parce qu'ils, avec beaucoup de liberté d'ailleurs, et même avec rare débridement, sont restés fidèles à l'église mère.
[le reste de cet article de Karel van de Woestijne traîte des Stévenistes]
Paul Vincent - Le Guérissseur (Juin 1964)
Auteur : Paul Vincent
Titre : Le Guérissseur
Éditions : La Cité - revue de la Cité universitaire de Paris (Juin 1964)
Son traitement consiste à se mettre en prière (et non e transes). Avec une photo en main, s'il le faut, pour guérir à distance. A Montreuil, on dit qu'il a sauvé un enfant d'une méningite en invoquant Sœur Thérèse de l'Enfant Jésus. L'enfant était à plus de cent kilomètres. On murmure qu'il a guéri, d'une pneumonie double, une femme de 71 ans qui se trouvait dans le coma au Canada. Il se mit en prière à 17 heures. A 17 h 03 (heure française), la vieille dame se souleva de son lit et dit : « J'en ai assez de tous vos médicaments. Je suis guérie ».
L'existence d'un « radar mystique » peut laisser sceptique. Mais qu'auraient pensé nos ancêtres devant la télévision mondiale instantanée par satellite et qui connaît toutes les possibilités, religieuses ou non, de la pensée ?
Sa logeuse l'a fait convertir au culte antoiniste, dont la grande préoccupation est de guérir par la foi.
Ce n'est pas saint Antoine qui a fondé ce qui est moins une secte qu'un culte public ouvert à tous. C'est un mineur belge, M. Louis Antoine, mort en 1912 à l'âge de 66 ans et appelé désormais « le Père » ; il est vénéré au même titre que sa compagne « la Mère », décédée en 1940.
Tous les Antoinistes (3 000 en France) avec deux douzaines de temples, dont un à Paris, peint en vert-pré, « symbole d'une pousse nouvelle » sont des guérisseurs en puissance. Ils ne s'opposent pas à l'intervention des médecins, mais ils préfèrent les remplacer par des prières.
Le père Antoine, qui traitait 1 200 malades par jour, estimait que « le don de guérir est l'effet des sacrifices offerts à Dieu par l'amour du prochain ».
« Il n'y a rien de surnaturel, disait Antoine, qui avait décidé, dès 1906, de faire comprendre Dieu. Dans le domaine matériel comme dans le domaine spirituel, tout repose sur des lois qu'insensiblement nous découvrons en nous acquérant la foi ».
Pour Bouis, comme pour les autres Antoinistes, le mal préexiste dans l'âme avant d'atteindre le corps.
« Le corps n'est que le revêtement de l'âme. L'âme est le moteur du corps. La foi situe le mal de l'âme. Ce n'est pas le corps qui est malade, c'est l'âme, le moteur. On nous rappelle, par l'intermédiaire du corps, que nos actes nous sont préjudiciables. »
Ainsi les guérisons par la foi s'obtiennent par la prière et le redressement moral des êtres. Elles existent en tous lieux et en tous temps et les Antoinistes rappellent les cas de Lourdes et de Lisieux.
« Dieu est le grand docteur, disait Antoine. Il ne condamne pas. Il démontre ainsi qu'aucun n'a le droit de prononcer d'arrêt, quelle que soit la gravité de la maladie ».
Roger Delorme - Les adorateurs de serpents
le serpent libidineux
Bien que les incultes paysans du Tennessee et du Kentucky n'en aient certainement pas le moindre soupçon, leurs étranges rituels herpétologiques rappellent de façon frappante les antiques cérémonies du culte grec de Dionysos, qui devint le Bacchus des Romains.
Au cours de ces bacchanales, les prêtresses du culte, c'est-à-dire les Ménades (les délirantes, les insensées), ou Bacchantes, brandissaient frénétiquement, elles aussi, des poignées de vipères et enroulaient des serpents venimeux autour de leur tête.
Lorsque les « hillbillies » américains croient vaincre symboliquement Satan en maîtrisant le serpent, ils ressuscitent en réalité l'un des cultes totémiques les plus anciens de l'histoire du monde, le culte de l'adoration du serpent.
Tous les folklores, toutes les mythologies, toutes les religions, fourmillent littéralement de serpents. Le serpent a été un dieu dans les plus prestigieuses civilisations antiques de Sumer, de Babylone, de l'Egypte, de la Crète, de la Grèce, de l'Inde et de la Chine. La plus importante divinité indigène américaine a été Quetzalcoatl, le serpent à plumes des grandes religions des Mayas, des Aztèques et de divers autres peuples d'Amérique centrale.
Le serpent a été, et est toujours, l'animal totémique, c'est-à-dire ancestral et sacré, de nombreuses tribus indiennes des trois Amériques, notamment les Peaux-Rouges apaches, navajos et divers autres.
Le serpent est toujours adoré dans diverses tribus africaines, et les Hindous font des offrandes de fleurs et de nourriture à des idoles en forme de cobra.
La légende d'Eve et du serpent a, elle-même, dans ses lointaines origines prébibliques, des implications beaucoup plus scabreuses que celles avec lesquelles elle est habituellement présentée aux enfants du catéchisme. Il semble que, de tout temps, le serpent a été intimement associé à la femme, ainsi qu'à la perfidie, par les hommes primitifs, et même souvent par des citoyens très civilisés. Il l'est encore, parfois de fort étrange façon, dans diverses peuplades primitives actuelles où le saignement mensuel de la femme est considéré comme le résultat de la morsure de la première femme par un serpent particulièrement libidineux.
Dans tous les pays où le culte du serpent a été pratiqué, la similarité de forme entre le serpent et le phallus a été immédiatement remarquée. Cela a valu au serpent totémique des religions primitives, de devenir le dieu de la fertilisation et de la fécondation dans les religions plus évoluées.
Un autre ophidien biblique des plus célèbres, et des plus significatifs, est le fameux Serpent d'airain érigé par Moïse dans le désert au temps de l'Exode. Certains anthropologistes pensent que la tribu juive qui s'enfuit d'Egypte avait le serpent pour totem (animal ancestral), et que Moïse était lui-même une sorte de shaman ou fakir qui en conduisait le culte.
Roger Delorme, les adorateurs de serpents,
in Historia Spécial: Les Sectes et leurs prophètes,
No 382 bis, Paris 1978.
Le Guérisseur antoiniste (Le Petit journal, 29 juin 1927)
Le guérisseur antoiniste
est condamné
à 200 francs d'amende
Metz, 28 Juin. – Le tribunal correctionnel de Metz a été saisi du procès intenté à M. Nicolas Wagner, desservant du culte antoiniste, demeurant à Esch-sur-Alzette (Luxembourg), inculpé d'exercice illégal de la médecine.
Des témoins déclarent avoir été guéris, par M. Wagner, de maladies déclarées incurables. M. Wagner les guérissait en disant des prières et en invitant les malades à en dire en même temps que lui.
Après une plaidoirie de M. Henry Ferrette le tribunal condamne à 200 francs d'amende le guérisseur antoiniste.
Le Petit journal, 29 juin 1927
Paris - Demande en autorisation de bâtir du 15 déc 1913

13e arr. - Rues Wurtz et Vergniaud. - Prop., Temple Antoiniste. - Arch., M. Flegenheimer, 23, quai Voltaire. - Construction (1 étage).
La Construction moderne, 28 décembre 1913
Parijsche Brieven (Tubantia 13-07-1912)
Parijsche Brieven.
Een zonderlinge persoon is onlangs te Parijs gestorven.
Hoe zijn eigenlijke naam luidde, mag Joost weten, en dat komt er trouwens weinig op aan. Bij het groote publiek stond hij bekend als Antoine-le-Guérisseur, ook wel als Antoine-le-Généreux. Anton de Genezer of Anton de Edelmoedige – er is iets Indiaansch in die bijnamen, iets, dat ons de werken van Gustave Aimard en James Fenimore Cooper – 0, zalige jeugd! – in herinnering roept. Zeker is in elk geval, dat de meeste aliassen te Parijs beduidend minder vriendelijk klinken.
Wie Antoine-le-Guérisseur was en wat hij deed?
Hij was eerst pletter van beroep en werd later, nadat hij had ervaren, dat hij begiftigd was met een geheimzinnige psychische macht, genezer. Hij genas degenen, die zijn hulp inriepen, van hun lichamelijke, soms zelfs van hun moreele ziekten en kwalen. Telken dage vervoegden zich honderden zieken bij hem. En hij genas ze, dikwijls geheel, voorgoed. Hij was in het bezit van tallooze en tallooze brieven van erkentelijke ex-patienten, uit alle standen, welke epistels melding maakten van zijn wonderbaarlijke geneeskracht. In de meeste gevallen vermochten zijn aanwezigheid en zijn wil alléén reeds genezing aan te brengen, zelfs bij zieken, die door de officieele geneeskunde ongeneeslijk waren verklaard.
„Het is, ” placht Antoine de Genezer te zeggen, „het geloof, dat dit wonder voortbrengt.” En, een beeld ontleenende aan zijn vroeger beroep, voegde hij er gewoonlijk aan toe: „Het smidsvuur maakt het ijzer smeedbaar, en dan doet de mensch er meê wat hij wil. Onze ziel is ook een vuur.”
Natuurlijk deden de officiëele wettige, wettelijke geneesheeren dezen „kwakzalver” een proces aan, wegens onwettige uitoefening der geneeskundige praktijk. Natuurlijk deden zij dat niet in het belang der menschheid alleen, doch ook in dat van hun beurs.
De rechters spraken Antoine evenwel vrij, aangezien deze bewijzen kon afleggen, dat hij voor zijn geneeskundige hulp geen honorarium vroeg.
Aangemoedigd door deze officieele vrijspraak, stichtte hij een soort van godsdienst, het „Antoinisme”, dat vele belijders over de gansche wereld verkreeg.
Een hartstochtelijk bewonderaar schonk 100.000 francs om er een Antoinisten-tempel te Jemmèpes voor te bouwen.
Een verzoekschrift, dat niet minder dan 130.000 handteekeningen telde, vroeg aan de Belgische regeering officiëele erkenning van het Antoinisme.
Groepen Antoinisten vormden zich te Parijs, te Lyon, te Nice, te Grenoble, te Tours, te Vichy, te Aix-les-Bains, enz.
Voorts richtte Antoine een tijdschrift, met name „L'Unitif”, op, in welk blad hij propaganda voor zijn ideeën maakte.
Er zijn priesters en er zijn priesteressen van het Antoinisme.
Een dier priesteressen, genaamd Mademoiselle Camus, gaf onlangs aan een weet- of nieuwsgierigen journalist, de volgende verklaring van haar geneeskunst à la Antoine:
– Hoe ik te werk ga? Niets is eenvoudiger. Komt er een ongelukkige, die het een of ander lichaamsgebrek heeft, dan beveel ik hem, sterk aan den vader, vader Antoine, te denken. Ik, van mijn kant, deel Antoine mijn gedachte mede. Ik denk in hem, zooals hij denkt in God. Daarna slaap ik in, en ik lees in de lijdende lichaamsdeelen van den patiënt als in een open boek. Ik lijd zijn lijden zelf mee, ik maak er mij meester van, ik haal het brok voor brok uit zijn lichaam om het aan stukken te slaan, fijn te wrijven en het naar buiten te verspreiden.
Ik kan me voorstellen, hoe goed die methode te pas komt bij de ondragelijke ziekte, die het graveel of ook wel de steen wordt genoemd.
Doch „trève de raillerie”, zonder gekheid thans: ik voor mij geloof, dat dergelijke verklaringen veel minder onnoozel zijn dan ze schijnen. Is het niet een feit, een onloochenbare dáádzaak, dat in de laatste vijftig jaar het materialisme gestadiglijk terrein heeft verloren? Is het niet onomstootlijk waar, dat „Kraft und Stoff” van Ludwig Büchner thans algemeen voor een waardeloos, althans verouderd boek wordt gehouden? Zijn de biologie en het magnetisme niet sedert jaren, in den nieuwen vorm van hypnotisme, tot rang van wetenschap verheven ? Richt de gansche menschheid zich niet hoe langer zoo meer naar wat wij , ”het immaterieele” plegen te noemen – het immaterieele, dat, bij een voller en feller geestelijk licht dan wij tot toe daarover vermogen te verspreiden, wellicht blijken zou niets anders te zijn dan een fijner, ijler, dus onnaspeurlijker materie ? Brengt niet schier elke jaarkring een nieuwe reeks van wetenschappelijke ontdekkingen mede, die ons dom geloof aan de uitgebreidheid van het algemeen menschelijk weten meer en meer doet wankelen?
De prefectuur van politie te Parijs kan u inlichten, dat er in deze wereldstad ruim 10.000 beroeps-occultisten zijn, ruim 10.000 professionals in somnambulisme, helderziendheid, wonderdadige geneeskracht, enz. enz. Ze kan u tevens inlichten, dat hun aantal elk jaar toeneemt, in weerwil van de vervolgingen, die sommigen hunner van rechtswege hebben ondergaan. Elke gilde, beweren zij, heeft zijn „schurftige schapen”, doch daar volgt volstrekt niet uit, dat het gansche gilde uit bedriegers bestaat.
Dan zijn er ook nog, en zelfs in de wereld der „intellectueels”, amateurs-occultisten. Zij „manifesteeren zich” slechts in den kring van vrienden en kennissen.
Ik ken er persoonlijk een vijftal.
Een hunner is de Transvaalsche beeldhouwer Eloff, kleinzoon van Paul Krüger. Deze ontwikkelde jongeman bewerkt genezingen à la Antoine. Dat hij zich „Christian scientist” en geen Antoinist noemt, is slechts bijzaak; zijn verrichtingen en die van Antoine berusten op denzelfden grondslag: de kracht van den menschelijken wil, als uitingsvorm van een sterk, ongeschokt geloof.
Van een mijner vrienden, een schrijver, die geen tijd en ook geen lust! heeft, om zich geregeld met het occultisme bezig te houden, heb ik persoonlijk manifestaties in de richting der „puissance psychique” gezien, die niet slechts de aanwezigen, doch ook hemzelf ten zeerste verrasten. Een dame had hevige kiespijn – hij streek eenige malen over haar mond en wangen, en de pijn verdween als bij tooverslag. Een andere dame leed sinds twee weken aan een groot gezwel op een harer handen, een gezwel, dat onder dokters behandeling grooter en grooter werd — mijn vriend masseerde de hand in veler bijzijn ongeveer vijf minuten lang, en den volgenden dag! was de bult geheel verdwenen. Hij is – het geval had drie jaar geleden plaats – ook heelemaal niet meer teruggekomen. Ik heb nog wel tien soortgelijke genezingen van zijn hand bijgewoond.
Met een mengeling van groote belangstelling en arglistige ongeloovigheid vroeg ik hem eens:
– Hoe doe je dat alles toch? Magnetiseer je, hypnotiseer je, enfin, „iseer” je op de eene of andere manier ?
Zijn eenigszins teleurstellend antwoord luidde:
– Ik kan het je niet wetenschappelijk, ik kan het je zelfs niet gewoon uitleggen, want wat ik in dat opzicht doe, doe ik niet met een nauw omlijnd bewustzijn; allerminst op het oogenblik zelf. Maar misschien zit de boel zóó in mekaâr. Je weet, dat ik zeer geloovig ben. Je weet ook, dat! ik een sterken wil heb. Het is je niet onbekend, dat ik van de menschheid in het algemeen houd; ik ben meer optimist en philanthroop dan pessimist en misanthroop, nietwaar? Verder weet je, dat ik mijn gedachten kan concentreeren; je hebt me eenige malen je verwondering te kennen gegeven, dat ik geregeld door kon werken, zelfs wanneer men een helsch kabaal om me heen maakte. Welnu, op het oogenblik, dat ik ... hm ... een genezing beproef, geloof ik, wil ik, houd ik van mijn patiënt en concentreer ik al mijn gedachten op het geval.
Men ziet het: simple comme toujours ! Maar om aan al die voorwaarden te voldoen......
Er zijn hier duizenden en nogeens duizenden menschen, die aan het occultisme gelooven. Er zijn er heel veel meer dan er voor uit durven te komen. Niet weinigen toch houden rekening met de zegswijze: „le ridicule tue”, en menigeen maakt zich wijs, dat een vooropgezette ongeloovigheid een bewijs van intelligentie en geestkracht is.
Toen de keizerin van Rusland ziek was en maar niet beter werd onder lijfartserige behandeling, ontbood de tsaar openlijk uit Parijs den vermaarden Philippe, vakgenoot van Antoine-le-Guérisseur en den eveneens befaamden Zouave Jacob.
De hooge patiënte genas onder de behandeling van den „charlatan” Philippe, die daarna, beladen met eer en met geschenken, naar de Seine-stad terugkeerde.
Er zijn ettelijke Phillippes, Antoines en Jacobs te Parijs. Doch er zijn, geloof ik, niet velen, die gelijk de tsaar deed, openlijk heul zouden durven te zoeken bij dergelijke „genezers”. Waarom niet, waarom durven ze niet? Sapristi! zijn er niet, evenals in elk ander vak, zoo onder de wèl- als onder de nièt-gediplomeerde dienaren der aesculapische wetenschap èn serieuze menschen en kwakzalvers ?....
OTTO KNAAP.
Tubantia, 13 juillet 1912
Traduction :
Lettres de Paris.
Une personne excentrique est récemment décédée à Paris.
Joost connaît peut-être son vrai nom, et ça n'a pas beaucoup d'importance. Pour le grand public, il était connu sous le nom d'Antoine-le-Guérisseur, aussi connu sous le nom d'Antoine-le-Généreux. Antoine-le-Guérisseur ou Antoine-le-Généreux – il y a quelque chose d'indien dans ces surnoms, quelque chose, qui fait que les œuvres de Gustave Aimard et James Fenimore Cooper – Oh, jeunesse heureuse ! – me reviennent en mémoire. Quoi qu'il en soit, il est certain que la plupart des pseudonymes parisiens semblent beaucoup moins sympathiques.
Qui était Antoine-le-Guérisseur et que faisait-il ?
Au début, il a été harassé par la profession et plus tard, après avoir fait l'expérience qu'il était doté d'un mystérieux pouvoir psychique, celui de guérisseur. Il a guéri ceux qui lui demandaient de l'aide de leurs maladies et affections physiques, parfois même morales. Chaque jour, des centaines de malades le rejoignaient. Et il les guérit, souvent complètement, pour toujours. Il était en possession d'innombrables et innombrables lettres d'ex-patients reconnaissants, de tous horizons, qui rapportaient des épîtres de son pouvoir de guérison miraculeux. Dans la plupart des cas, sa présence et sa volonté seuls pouvaient guérir, même pour les malades qui avaient été déclarés incurables par la médecine officielle.
"C'est, disait Antoine le Guérisseur, "la foi qui produit ce miracle". Et, empruntant une image à son ancien métier, il ajoutait d'habitude : "Le feu de forge rend le fer malléable, et ensuite l'homme fait ce qu'il veut. Notre âme est aussi un feu."
Bien sûr, les médecins officiels légaux et légaux ont traduit ces "charlatans" en justice pour exercice illégal de la médecine. Bien sûr, ils l'ont fait non seulement dans l'intérêt de l'humanité, mais aussi dans celui de leur bourse.
Cependant, les juges ont acquitté Antoine, puisqu'il a pu fournir des preuves, qu'il n'a pas exigé d’honoraires pour son aide médicale.
Encouragé par cet acquittement officiel, il fonda une sorte de religion, l'"Antoinisme", que de nombreux confesseurs du monde entier soutinrent.
Un passionné admirateur a fait don de 100 000 francs pour la construction d'un temple antoiniste à Jemeppes.
Une pétition, qui avait pas moins de 130 000 signatures, demandait au gouvernement belge la reconnaissance officielle de l'Antoinisme.
Des groupes antoinistes se sont constitués à Paris, Lyon, Nice, Grenoble, Tours, Vichy, Aix-les-Bains, etc.
Antoine a également fondé une revue, "L'Unitif", dans laquelle il a propagé ses idées.
Il y a des prêtres et des prêtresses de l'Antoinisme.
Une prêtresse animale, appelée Mademoiselle Camus, a récemment remis à une journaliste curieuse ou avertie, la déclaration suivante de sa médecine à la Antoine :
– Comment dois-je procéder ? Rien de plus simple. Si une personne malchanceuse, qui a un défaut quelconque, vient me voir, je lui recommande fortement de penser au père, le père Antoine. Pour ma part, je partage mes réflexions avec Antoine. Je pense en lui, comme il pense en Dieu. Puis je m’endors et je lis dans les parties du corps du patient qui souffrent comme dans un livre ouvert. Je souffre moi-même de sa souffrance, je la maîtrise, je la retire de son corps morceau par morceau pour la mettre en pièces, la broyer finement et la répandre.
Je peux imaginer à quel point cette méthode est bien utilisée dans la maladie insupportable, qu'on appelle le tombeau ou la pierre.
Mais "trêve de raillerie", sans folie de nos jours : je crois pour ma part que de telles explications sont beaucoup moins innocentes qu'elles ne le paraissent. N'est-ce pas un fait, un fait indéniable, qu'au cours des cinquante dernières années, le matérialisme a constamment perdu du terrain ? N'est-il pas irréfutable que le livre de Ludwig Büchner "Kraft und Stoff" est aujourd'hui généralement considéré comme un livre sans valeur, du moins périmé ? La biologie et le magnétisme n'ont-ils pas été élevés depuis des années, sous la nouvelle forme de l'hypnose, au rang de science ? Toute l'humanité ne se tourne-t-elle pas de plus en plus vers ce que nous avons tendance à appeler "l'immatériel" – l'immatériel qui, dans une lumière spirituelle plus pleine et plus brillante que celle que nous avons pu lui répandre jusqu'à présent, pourrait n'être qu'une matière plus fine, plus mince, donc plus intraçable ? Une nouvelle série de découvertes scientifiques ne s'accompagne-t-elle pas presque chaque année d'un cycle, ce qui fait vaciller de plus en plus notre croyance stupide en l'immensité des connaissances humaines générales ?
La Préfecture de Police de Paris peut vous informer qu'il y a plus de 10.000 occultistes professionnels, plus de 10.000 professionnels du somnambulisme, de la clairvoyance, de la médecine miraculeuse, etc. dans cette métropole. Elle peut aussi vous informer que leur nombre augmente chaque année, malgré les persécutions que certains d'entre eux ont subies de plein droit. Chaque guilde, disent-ils, a ses "petits moutons", mais il ne s'ensuit pas du tout que la guilde est composée de fraudeurs.
Et puis il y a aussi, et même dans le monde des "intellectuels", les occultistes amateurs. Ils ne "se manifestent" que dans le cercle des amis et des connaissances.
J'en connais personnellement cinq.
L'un d'eux est le sculpteur du Transvaal Eloff, petit-fils de Paul Krüger. Ce jeune homme développé travaille sur des guérisons à la Antoine. Qu'il se qualifie lui-même de "scientifique chrétien" et non d'antoiniste n'est qu'une question secondaire ; ses réalisations et celles d'Antoine reposent sur le même fondement : le pouvoir de l'être humain veut, comme manifestation d'une foi forte et non inébranlable.
De la part d'un de mes amis, écrivain, qui n'a ni le temps ni l'envie ! de s'occuper régulièrement de l'occultisme, j'ai personnellement vu des manifestations en direction de la "puissance psychique", qui surprend non seulement les présents, mais aussi lui-même. Une dame avait mal aux dents – il lui caressait la bouche et les joues à quelques reprises, et la douleur a disparu comme par magie. Une autre dame souffrait depuis deux semaines d'une grosse tumeur sur les mains, une tumeur de plus en plus grosse sous traitement médical – mon amie a masqué la main en présence de nombreuses personnes pendant environ cinq minutes, et le jour suivant ! la bosse avait complètement disparu. Elle n'est pas – l'affaire s'est produite il y a trois ans – revenue du tout non plus. J'ai assisté à dix autres guérisons similaires par sa main.
Avec un mélange de grand intérêt et d'infidélité suspecte, je lui ai demandé une fois :
– Comment faites-vous tout cela ? Est-ce que vous magnétisez, hypnotisez, et finalement, vous "-tisez" d'une manière ou d'une autre ?
Sa réponse quelque peu décevante a été :
– Je ne peux pas vous l'expliquer scientifiquement, ni par moi-même, car ce que je fais à cet égard, je ne le fais pas avec une conscience bien définie ; du moins à ce moment. Mais peut-être que tout ça est tellement simple. Tu sais, que j'y crois beaucoup. Tu le sais aussi, ça ! Je veux avoir une volonté forte. Il ne vous est pas inconnu que j'aime l'humanité en général ; je suis plus optimiste et philanthrope que pessimiste et misanthrope, non ? En outre, vous savez que je peux concentrer mes pensées ; vous m'avez dit plusieurs fois votre étonnement que je pouvais régulièrement travailler, même quand un bruit infernal se faisait autour de moi. Eh bien, en ce moment, que je... hm .... Je crois, je veux, je crois, j'essaie de guérir, j'aime mon patient et je concentre toutes mes pensées sur ce cas.
On le voit : simple comme bonjour ! Mais pour remplir toutes ces conditions......
Il y a des milliers et des milliers de personnes ici qui croient en l'occultisme. Il y en a beaucoup plus qu'il n'en faut pour en sortir. Beaucoup de gens tiennent compte du dicton "le ridicule tue", et beaucoup croient qu'une infidélité préconçue est une preuve d'intelligence et de force de l'esprit.
Lorsque l'impératrice de Russie était malade et ne s'améliorait pas sous traitement corporel, le tsar offrit ouvertement le célèbre Philippe de Paris, un collègue d'Antoine-le-Guérisseur et le tout aussi célèbre Zouave Jacob.
L’importante patiente fut guérie sous le traitement du "charlatan" Philippe, qui retourna ensuite dans la cité de la Seine, chargé d'honneur et de dons.
Il y a plusieurs Phillippes, Antoines et Jacobs à Paris. Mais je crois qu'il n'y en a pas beaucoup qui, comme le tsar, oseraient ouvertement demander l'aide de ces "guérisseurs". Pourquoi pas, pourquoi n'osent-ils pas ? Sapristi ! n'y a-t-il pas là, comme dans n'importe quelle autre profession, parmi les serviteurs diplômés ou non de la science esculapienne et des gens sérieux et des charlatans ?







/image%2F0655110%2F20241209%2Fob_2e1b1c_arbre-sans.png)